Zoeken...

Inhoudsopgave

Vergelijking van wettelijke vereisten: de Machinerichtlijn versus de Machineverordening

1.2.4.3 Noodstop

Wettekst van de Machinerichtlijn

1.2.4.3 Noodstop
Een machine moet zijn voorzien van één of meer noodstopvoorzieningen die het mogelijk maken dreigend gevaar of reeds ontstane gevaarlijke situaties af te wenden.
Dit vereiste geldt echter niet voor
— een machine waarbij een noodstopvoorziening het risico niet zou verminderen, hetzij omdat deze de stoptijd niet zou verkorten, hetzij omdat de voorziening het onmogelijk zou maken de specifieke maatregelen te nemen die het betrokken risico vereist, en
— draagbare handbediende en/of handgeleide machines.

De noodstopvoorziening moet
— duidelijk identificeerbare, duidelijk zichtbare en gemakkelijk bereikbare bedieningsorganen hebben,
— het gevaarlijke proces zo snel mogelijk stoppen, zonder daardoor een bijkomend risico te veroorzaken, en
— indien nodig bepaalde beschermende bewegingen in gang zetten of het in gang zetten daarvan mogelijk maken.

Wanneer de actieve beïnvloeding van de noodstopvoorziening na een stopcommando is beëindigd, moet dit commando van kracht blijven totdat de noodstopvoorziening is gereset; het bedieningsorgaan mag niet kunnen worden geblokkeerd zonder dat een stopcommando is gegeven; het resetten van de voorziening mag uitsluitend mogelijk zijn door een daartoe geschikte handeling en het resetten van de voorziening mag de machine niet opnieuw starten, maar alleen een herstart mogelijk maken.
De noodstopfunctie moet altijd beschikbaar en operationeel zijn, onafhankelijk van de bedrijfsmodus.
Noodstopvoorzieningen moeten een aanvulling zijn op andere veiligheidsmaatregelen en geen vervanging daarvoor.

Lees meer

Wettekst van de machineverordening

1.2.4.3 Noodstop
De machine of het daarmee verband houdende product moet zijn voorzien van een of meer noodstopvoorzieningen waarmee een dreigend gevaar of een reeds opgetreden gevaar kan worden afgewend.
Deze eis geldt echter niet voor
a) een machine of een daarmee verband houdend product waarin een noodstopvoorziening het risico niet zou verminderen, hetzij omdat deze de stoptijd niet zou verkorten, hetzij omdat de voorziening het onmogelijk zou maken de specifieke maatregelen te treffen die het desbetreffende risico vereist, alsmede
b) draagbare handbediende of handgeleide machines of daarmee verband houdende producten.

De voorziening moet
a) duidelijk identificeerbare, duidelijk zichtbare en gemakkelijk bereikbare bedieningsorganen hebben,
b) het gevaarlijke proces zo snel mogelijk stoppen, zonder daardoor een bijkomend risico te veroorzaken, en
c) indien nodig bepaalde bewegingen van beschermende aard activeren of de activering daarvan mogelijk maken.
Wanneer de actieve werking van de noodstopvoorziening na een stopcommando is beëindigd, moet dit commando van kracht blijven totdat de noodstopvoorziening is gereset; het bedieningsorgaan mag niet kunnen worden vergrendeld zonder dat een stopcommando wordt gegeven, het resetten van de voorziening mag alleen kunnen plaatsvinden door een daartoe geschikte handeling en het resetten van de voorziening mag de machine of het daarmee verband houdende product niet herstarten, maar uitsluitend herstart mogelijk maken.
De noodstopfunctie moet altijd beschikbaar en operationeel zijn, ongeacht de bedrijfsmodus.
Noodstopvoorzieningen vormen een aanvulling op andere veiligheidsmaatregelen en geen vervanging daarvan.

Lees meer

Zoeken...

Inhoudsopgave